Doorgaan naar hoofdcontent

Schokland

Kwetsbaar eiland in een zee van land, waar zijn de vissers gebleven? Vissers van vissen, vissers van mensen, vissers van hoop en verlangen. Ingepolderd eiland met kant noch wal, ingeburgerd in het eindeloze land.
Er is geen vijand meer, en geen strijd.
Alles lijkt kalm en wezenloos bedaard, er lijkt geen aankomen meer, geen vertrek dat wordt opgemerkt. Alles lijkt hier voorbij te gaan, zonder nut of noodzaak.
Gladgestreken eiland, plooiloos land, klei dat geen kant meer op kan. Een heuvel met een ander verleden. Hier geen uitkijk meer naar een schip.
Schokland Schokland.
Verzamel de vissers, verzamel de mensen. Verzamel het werk, verzamel de onrust. Verzamel de netten, verzamel de vangst. Verzamel de gemeenschap, verzamel elkaar. Verzamel het woelige water van toen.
En laten we uitvaren, naar Schokland.
©Ron van Es

Populaire posts van deze blog

De liefde van het hart

Het voelen van het hart die pompende materie, pulserende kamers, stromen van bloed en leven, het jagen van het hart. De pijnscheuten van het hart, die heilloze tocht, klagende galm voetstappen in een uitgestorven straat, de eenzaamheid van het hart. De waanzin van het hart, die zanderige verstuiving, een blazende trompet klinkt als wanhopig in het rond, de gekte van het hart. Het einde van het hart, die fladderende nacht, bewogen ochtend, waar contouren in de steigers staan, het begin van het hart. De liefde van het hart, die haar zo beminnen laat, loslopend wild en nieuwe jachtterreinen doet opengaan, de liefde van het hart. ©Ron van Es

Mijn tafel

Aan mijn tafel wordt gegeten, gesproken en gegild. Aan mijn tafel wordt gezwegen, lesgegeven en niets geleerd. Hier sluit men rusteloos de ogen en kijkt men naar de andere kant of wordt over het hoofd gezien. Aan mijn tafel wordt gefluisterd, verleid en uitgelokt. Aan mijn tafel wordt betast, bekrast en daarna hard gelachen. Hier is het soms goed toeven, en lijkt het bijna op een thuis. Hier kom ik samen. ©Ron van Es

De Hond

1. Ik schrijf het woordje ‘eenzaam’, en over mijn schouder kijk je mee. Ik staar daarna op het papier en je kwijlt de inkt weer nat. Als ik me omdraai, ben je weg. Ik denk aan het woord en je kijkt door mijn ogen mee. Alsof je de betekenis zo goed kent, en weet wat er op papier staat. Maar als ik je zoek, ben je er niet. Wie ben je dat je mij zo goed kent? Wiens geblaf hoor ik galmen tegen de muren? Wiens gehijg voel ik in mijn nek? 2. Toen in het najaar het donker alle uren omsloot en de Hond zo heftig aan zijn ketting rammelde, besloot ik niet langer te blijven. Op reis, op reis, dat was wat ik dacht en ook zo ondoordacht maar deed. Een plek in Zeeland, killer kon het niet in dit natte najaarsland. Daar waar niemand wist wat ik deed of zelfs maar wat ik zo graag wilde. Daar ontkwam ik op een ochtend toch niet aan die bek vol tanden. Tussen slapen en ontwaken, het uur van de Hond naar ik later be...