Doorgaan naar hoofdcontent

Wat als?






Wat als jij het stuur in handen krijgt?
Wat als ze naar jou luisteren?
Wat als jij op de stoel gaat staan?
Wat als jij van je hart geen moordkuil maakt?


Wat als jij de touwtjes in handen krijgt?
Wat als jij de route uitstippelt?
Wat als jij de kaarten schudt?
Wat als jij geen blad voor de mond neemt?

Wat als jij de eerste stap zet?
Wat als jij de toon zet?
Wat als jij geen genoegen neemt?
Wat als jij het licht aandoet?

Wat als jij niet bij de pakken neerzit?
Wat als jij de groep aanstuurt?
Wat als jij de leiding neemt?
Wat als jij opkijkt?

Wat als jij het voor het zeggen krijgt?
Wat als jij de ballen hebt?
Wat als jij de uitdaging aanneemt?
Wat als jij de moed verzamelt?

Wat als jij jouw koers bepaalt?
Wat als jij jouw leven leeft?
Wat als jij jouw kansen grijpt?
Wat als jij jouw?

Wat dan?
Wat als?

©Ron van Es

Populaire posts van deze blog

De liefde van het hart

Het voelen van het hart die pompende materie, pulserende kamers, stromen van bloed en leven, het jagen van het hart. De pijnscheuten van het hart, die heilloze tocht, klagende galm voetstappen in een uitgestorven straat, de eenzaamheid van het hart. De waanzin van het hart, die zanderige verstuiving, een blazende trompet klinkt als wanhopig in het rond, de gekte van het hart. Het einde van het hart, die fladderende nacht, bewogen ochtend, waar contouren in de steigers staan, het begin van het hart. De liefde van het hart, die haar zo beminnen laat, loslopend wild en nieuwe jachtterreinen doet opengaan, de liefde van het hart. ©Ron van Es

Mijn tafel

Aan mijn tafel wordt gegeten, gesproken en gegild. Aan mijn tafel wordt gezwegen, lesgegeven en niets geleerd. Hier sluit men rusteloos de ogen en kijkt men naar de andere kant of wordt over het hoofd gezien. Aan mijn tafel wordt gefluisterd, verleid en uitgelokt. Aan mijn tafel wordt betast, bekrast en daarna hard gelachen. Hier is het soms goed toeven, en lijkt het bijna op een thuis. Hier kom ik samen. ©Ron van Es

De Hond

1. Ik schrijf het woordje ‘eenzaam’, en over mijn schouder kijk je mee. Ik staar daarna op het papier en je kwijlt de inkt weer nat. Als ik me omdraai, ben je weg. Ik denk aan het woord en je kijkt door mijn ogen mee. Alsof je de betekenis zo goed kent, en weet wat er op papier staat. Maar als ik je zoek, ben je er niet. Wie ben je dat je mij zo goed kent? Wiens geblaf hoor ik galmen tegen de muren? Wiens gehijg voel ik in mijn nek? 2. Toen in het najaar het donker alle uren omsloot en de Hond zo heftig aan zijn ketting rammelde, besloot ik niet langer te blijven. Op reis, op reis, dat was wat ik dacht en ook zo ondoordacht maar deed. Een plek in Zeeland, killer kon het niet in dit natte najaarsland. Daar waar niemand wist wat ik deed of zelfs maar wat ik zo graag wilde. Daar ontkwam ik op een ochtend toch niet aan die bek vol tanden. Tussen slapen en ontwaken, het uur van de Hond naar ik later be...